Meisje! Meisje!

Daar stond ze dan, daar stond ze

als schimmig wezen in de mist
te staren met haar halfopen ogen, 
het meisje, de zwerfster.
Utopist.

Maar er waren geen dromen, 
geen dromen vannacht.
Geen schreeuw en geen woorden.
Alleen het zwijgen

van haar stille kracht.

Een wit gewaad en lange haren.
Ze deed niets. Ze stond.
Ze deed niets. Ze staarde,
ze staarde naar de grond.

Ik keek in haar ogen, haar lege ogen.
Ik wou spreken, maar leek verstomd.
De nacht was koud, al te oud, 
en wijzers tikten.
Ze bogen seconden om.

Tocht schoof door de kieren, langs de kieren.
Plavuizen dansten op de grond.
Meisje, meisje! Ga dan.
Ga, minuten later
steeg zij op. 

Ze steeg op naar het plafond.

In opstand

Er hangt rook in de straten.
Sirenes duwen stemmen opzij.
En ook ik spreek je tegen en roep mijn leuzen. 
Ik strijd en verwijt, want ik ben vrij.

Ik barricadeer de door jouw bedachte straten
en werp jouw gedachten in het vuur.
Ik draag mijn woord en hang aan de hekken
ik haat jouw stalinistisch bestuur.

Ik schrijf leuzen op de muren.
Ik schreeuw de longen uit mijn lijf.
We ketenen ons vast aan onze normen.
Tegen één van jouw plaatsen wij er vijf.

Traangas laat ons niet huilen.
Ook de knuppel zal ons niet slaan.
Ik loop mee, niet om te rennen, 
ik loop mee, 
om stil te staan. 

Schiet maar met je rubberkogels,
waarvan niet één mijn lichaam duidt.
Ik trek met kracht de klinkers uit jouw straten
en smijt ze 
door je hypocriete ruit.

Ik overwin eer ik berust, ik overwin.

Want ons zullen ze niet commanderen.
Nee, ons,
laten ze met rust. 
Op een dag.
Op een dag.

Tja

Tja, daar ging je dan,
even over vieren. 
Met wat hengels en wat aas.
Maar tja. De vissen. Ze sliepen.
Even over vieren.
Je zat er wel. Maar toch ernaast.

Vissen, vissen. Ze beten niet. De vissen.
Alen niet, karpers niet.
Vieze grondsmaak. Snoek zit vol met graat. 
Ze beten niet. De vissen.
In de stuw niet. Bij de brug niet.
Nergens. Neen, ze beten nergens niet.

En je viste en je viste.
Je ving niets, maar je genoot.

Tja, daar ging ik dan. 
Even over vieren.
Met jou. En met wat aas.
Maar tja. De vissen. Ze sliepen.
Ze beten niet. 
Ik zat er wel. Met jou ernaast.

Jij viste. En ik viste.
Ik ving niets, maar ik genoot.
Ik wou dat we weer eens konden vissen.
Samen met jou. In de oude polyester boot.

En zo draait de wereld

Overvloedig het versgebakken brood.
Geen honger, niet de dood.
Neen. Elders.

Wie weg kijkt, kent het niet.
Lachen. Schaapachtig.
Prachtig.
Neen. Elders.

En zo draait de wereld.
Houtje-touwtje om een as van fictie.
Een wereldje van ‘oh-zo-fijn’.
Vrijheid. Vrij zijn.
En zo geloof je.

Meer. En meer.
Werk eerst. Leven is later.

En zo draait de wereld.
Kneuterig als de oude koekoeksklok,
Geen mens kijkt naar het vogeltje.
Drukte. Druk.
Tik.
Tak.
Tok.

En weer een dode.

Doden leven niet.
En zo draait de wereld.

Wereldje, wereldje.
Soms ben je niet mijn ding.

De paragnost van Saint-Cirq-Lapopie

Hij kijkt verder dan de Midi-Pyrénées
en ziet Toulouse als een startpunt.

Hij spreekt versterkt door armgebaren
over onheil en verdoemenis.
Een glazen bol zegt meer dan Jezus Christus,
die slechts de hoop in deze boodschap is.

Maar in het kleine kerkje boven in de bergen
ziet de visionair de vuile werkelijkheid.
Hij schuilt in zichzelf als hij even omkijkt
naar een man die om zijn dode vader huilt.

Van Toulouse naar de rest van de wereld,
liefst drie keer rond, wie houdt hem tegen?

Even dacht ik dat ik hem kwijt was,
maar bij zijn dromen haakte ik weer aan.

De paragnost vertelde over alles na de Dag des Oordeels,
over gouden straten in het nieuwe Sion.
Het leek zo mooi het tij te keren,
maar ik verstijfde,
want waarzeggers fantaseren.

Ook hier
in Saint-Cirq-Lapopie.

De waan

Weerspiegeling beroerde het vervuilde water,
golvend van de laat ontbrande straatlantaarns.
Er schenen lichten in mijn donkergrijze ogen.
Het was de waan maar,
het was de waan.

Ik ontwaakte uit dromen in de zoete regen.
Beelden speelden met je gerimpelde gelaat.
Het was maar even nog geleden,
dat we visten,
nee, we wisten
niets, het was al laat.

Je had nog niet gehoord over de vuile oorlog,
van aangespoelde jongens op het strand.
Jij zag nog niet de haat of hoe ze vochten,
hekken, geen deuren,
op de grens
van het beloofde land.

Had je wel gehoord van de zeven, de zeven?
Had je wel gehoord van de zevensprong?
En zag je toen hoe mijn dochter vrolijk danste
of hoe mijn zoon zijn eerste beker won?

Jij woont in een stad met gouden straten.
Jij woont in een stad.
Jij. Hij.
Die we missen. Jij.

Weerspiegeling beroerde het vervuilde water,
golvend van de laat ontbrande straatlantaarns.
De hemel gaat open, maar sluit even krachtig.
Het is de waan maar.
Het is de waan.