De cola-verkoper

Het was in augustus. Twee banken voor me zat een kind met zijn moeder. Verveeld keek de jongen naar de meeuwen. “Mag ik ze voeren?”, vroeg het kind. De sneer die de moeder het kind gaf, maakte de jongen stil. Opnieuw wierp hij een blik naar de zilveren vogels. De vogels dansten in de lucht. Ze zongen. Met hun gesnater schalden ze liederen die niemand kende. Ook de jongen niet, al neuriede hij soms zachtjes mee. De meeuwen schitterden. Het was warm die dag. Achter me verdween het vaste land. 

Er viel rust over de boot, een aangename stilte die alleen doorbroken werd door het geluid van de vogels. En door het zachte praten van sommige mensen. De jongen bleef roerloos. Naast mij zat een man van midden dertig. Hij las een boek. “Achter de hoge duinen het stille land.” Die titel zag ik staan toen het boek nog roerloos naast hem lag. Zijn kleding verraadde dat hij een eeuwige reiziger was, een avonturier, een ontdekker; een ontdekker met een boek. 

Ik bestelde cola bij Alexandro. Met die naam had hij zich voorgesteld toen we aan boord gingen. “Alexandro.” had hij met duidelijk stem gezegd, alvorens hij iedereen persoonlijk een stevige hand gaf. Alexandro was een klein mannetje met een groot hoofd. Ondanks zijn jonge leeftijd was zijn huid al erg gerimpeld. De zilte zee had duidelijk groeven in hem gekrast. Een echte zeeman was hij. Hoewel, hij was het hulpje van de schipper. Meer niet, een colaverkoper. 

Ik rolde het koude blikje om beurten over beide wangen. Het gaf verkoeling. Veel reizigers dronken. Het was de enige remedie tegen de hitte van die dag.

“Senk joe,” zei Alexandro met enige nederigheid, nadat ik hem het wisselgeld had laten houden. Grappig, hoe dat Engels een andere taal lijkt met zo’n Zuid-Europees accent. Ik glimlachte. Alexandro deed twee stappen voorwaarts, op naar de volgende rij met dorstige mensen. Zonder iets te zeggen probeerde hij zijn waren te slijten. Hij zwaaide met colablikjes en met repen. Hij was een stille handelaar.

De zee was rustig. De boot sneed zeldzame golven moeiteloos in twee. Als je diep in het heldere water keek, zag je kwallen. Aan de oppervlakte zag je niets. Ook niet de dolfijnen. Alles was rustig. En bleef rustig. Het leek een vredige dag op een stille zee.  

En net toen de boot kalm de kade zou raken, knalde de deur open en kwam ze binnen met luide stem: “Kleed je aan, seniele gek! Kleed je aan!’ Ze opende de gordijnen. “Klerezooi,” mompelde ze. Ze schoof de stoelen aan, veegde de tafel af en smeerde hardhandig brood met jam. Ze kwakte het bord voor me op tafel en knoopte een doek om mijn nek. “Niet kruimelen!”, riep ze stellig. En zo verstreek het uur. Ik kauwde op de korsten. Zure jam. “Ik ben niet gek”, meende ik me te herinneren. Zachtjes zei ik het. In mezelf. “Ik ben niet gek.”  

Toen ze wegging, stapte ik opnieuw aan boord. Voor me lag Los Lobos in de stille zee. Tssssjk! Ik trok mijn koude blikje open. Ik genoot. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *