De waan

Weerspiegeling beroerde het vervuilde water,
golvend van de laat ontbrande straatlantaarns.
Er schenen lichten in mijn donkergrijze ogen.
Het was de waan maar,
het was de waan.

Ik ontwaakte uit dromen in de zoete regen.
Beelden speelden met je gerimpelde gelaat.
Het was maar even nog geleden,
dat we visten,
nee, we wisten
niets, het was al laat.

Je had nog niet gehoord over de vuile oorlog,
van aangespoelde jongens op het strand.
Jij zag nog niet de haat of hoe ze vochten,
hekken, geen deuren,
op de grens
van het beloofde land.

Had je wel gehoord van de zeven, de zeven?
Had je wel gehoord van de zevensprong?
En zag je toen hoe mijn dochter vrolijk danste
of hoe mijn zoon zijn eerste beker won?

Jij woont in een stad met gouden straten.
Jij woont in een stad.
Jij. Hij.
Die we missen. Jij.

Weerspiegeling beroerde het vervuilde water,
golvend van de laat ontbrande straatlantaarns.
De hemel gaat open, maar sluit even krachtig.
Het is de waan maar.
Het is de waan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *